1978, Cees van Dongen (46) : Ik stop zodra ik merk dat ik te oud word!

Wegrace artikelen en informatie
Plaats reactie
Bericht
Auteur
Gebruikersavatar
Maarten
Beheerder
Berichten: 8956
Lid geworden op: 01 sep 2002, 09:13
Locatie: Den Haag, Nederland
Gegeven waarderingen: 48 keren
Ontvangen waarderingen: 10 keren
Contacteer:

1978, Cees van Dongen (46) : Ik stop zodra ik merk dat ik te oud word!

#1 Bericht door Maarten » 28 feb 2019, 04:28

Cees van Dongen (46) : Ik stop zodra ik merk dat ik te oud word!

Bron: Moto 73, no. 21, 13-10-1978
Auteur: Ad Keukelaar
Foto's: Jan Heese en Castricum

Scan: Peter G


Afbeelding


Cees van Dongen, pure Rotterdammer, 46 jaar, internationaal startbewijshouder in de 50 en 125 cc klasse. Kees Brouwer, Hagenees in hart, nieren en alle andere organen, 54 jaar, „sleutelt weleens aan motorfietsen".

Cees en Kees, onafscheidelijk, samen honderd jaar, door Jaap Timmer eens de a.o.w.-ers van de motorsport genoemd, zijn met hun Peugeot vrachtwagen en caravan te vinden op alle circuits van Europa en gaan meestal met iets meer naar huis dan waarmee ze gekomen zijn: een prijs.

Afbeelding

Alles samen

Als we Cees van Dongen bellen voor een afspraak, zegt hij: „Alleen als Kees Brouwer er ook bij kan zijn, want als je over mij schrijft, schrijf je over hem, we doen alles samen".

In zijn woonkamer op de eerste verdieping in het Rotterdamse Oude Noorden vragen we Cees van Dongen hoe hij in de racerij verzeild is geraakt.

Cees: ,,lk ben tussen de motoronderdelen opgegroeid. Al in mijn kinderjaren prepareerde mijn vader speedway-motoren, onder andere die van Gerrit Kops, voor de oorlog nationaal kampioen. Na de oorlog legde hij zich toe op wegracers, Velocette en Norton. Als kind moest je natuurlijk altijd met je ouders mee en zo maakte ik in 1945 de eerste races op Tubbergen mee. Zelf reed ik mijn eerste race in Vriezenveen in 1953. Het was een bromfietsrace. Ik had maandenlang aan mijn „machine" gewerkt, een Victoria blok in een Solex frame, een minder gelukkige combinatie, want kort na de start verloor ik het blok en op een kaal frame kun je wat moeilijk meekomen. De tweede motor, een DMF, hield het negen wedstrijden uit: ik won ze alle negen. De volgende drie seizoenen reed ik op geleende machines, NSU, Eysink en Tilex. Geld voor een eigen motor was er niet. In 1956 behaalde ik mijn eerste nationaal kampioenschap, in de 250-klasse op een NSU Max van Cor van Euijen en in de 500-klasse op Norton van het Motorpaleis. In de periode 1957-1960 reed ik op eigen materiaal, maar zo oud dat door reparatiekosten geen geld overbleef om er vaak mee te racen.

In het begin van de zestiger jaren verschenen voor het eerst Japanse merken op de circuits. Yamaha vroeg mij in 1961 in Assen te rijden op een 125 cc fabrieksmachine, een puinhoop op twee wielen met een stroomlijn welke later nog voor badkuip model heeft gestaan. De resultaten waren dermate bedroevend, dat Yamaha zich voornam pas weer een fabrieksmachine in te zetten als de man die er mee reed wereldkampioen zou kunnen worden, waarmee een mogelijk fabriekscontract voor mij de mist inging. Het zou dan ook een paar jaar duren voordat Yamaha met de RD 56 terugkwam.

Afbeelding
In 1969 reed Cees (geheel rechts 7) een ijzersterk seizoen, waarin hij derde werd in het 125 cc wereldkampioenschap op de 125 cc MRTN-Suzuki. Cees won de eerste GP dat jaar op Jarama. Op de eerste, rij verder: Nieto (3), Canellas (29), Molloy (1), Braun (8), Carruthers (4) en Smith (33).


Honda ging wel door en leende mij het volgend seizoen een machine waarmee ik weer Nederlands kampioen werd. Toen kwam mijn Kreidlerperiode bij importeur Van Veen en was ik af en toe gastrijder in het team van Kreidler Stuttgart. Na nog kort met privé Honda's en een „Bultaco gereden te hebben, kreeg ik van het Motorpaleis, waar ik toen werkte, een Yamaha blok. Ik bouwde er zelf een frame voor en het geheel was goed voor vier jaar nationaal kampioenschap.

Te oud

Ondanks mijn successen wilde Het Motorpaleis mij niet meer steunen, ik kreeg zelfs geen gelegenheid meer om 's 'zaterdags te trainen. Ik was te oud, zei men, ik had afgedaan en moest mijn kennis, ervaring, enthousiasme en vrije tijd besteden aan het toen pas opgerichte crossteam. De lol was er goed af en toen ik bij het overlijden van mijn vrouw nauwelijks gelegenheid kreeg voor de kinderen te zorgen, besloot ik ontslag te nemen en een eigen zaak te beginnen. Ik kocht een Morbidelli en een Kreidler en reed meteen weer een paar goede seizoenen. Een soort comeback zou je kunnen zeggen, al was ik nooit echt weg geweest om mijn internationale licentie niet te verliezen... Deze winter hadden Kees en ik de Morbidelli uitstekend geprepareerd, maar door de verbouwing en uitbreiding van de zaak zelf bleef er weinig tijd, maar vooral weinig geld over voor de Kreidler. Omdat ik dit seizoen toch in de 50 cc klasse wilde blijven meedraaien, reed ik met een drie jaar oud blok met geleende cilinder van de Belg Chris Baerd. Ik kreeg in de training voor de GP in Tsjecho-Slowakije dit jaar een vastloper. Gelukkig zaten er nylon tandwielen op, want alle tanden lagen eraf. Ik had geen cilinder meer en Kees ging op strooptocht in het rennerskwartier. Baerd had er juist een in de vuilnisbak gegooid en omdat er niets anders te versieren was, hebben we die er maar op gezet. Ik ging tot zijn stomme verbazing Baerd nog voorbij en finishte ruim voor hem als twaalfde".

500 wedstrijden

Moto 73: Heb je enig idee hoeveel wedstrijden je tot dusver hebt gereden?
Cees: ,,lk schat zo om en nabij de vijfhonderd. Mijn internationale startlicentie kreeg ik in 1957 en reed in datzelfde jaar mijn eerste Grand Prix. Dat was in Assen op een NSU 125 van Aad van Exel. Ik lag al een paar ronden op vijfde positie toen mijn krukas brak. Vanaf zestig reed ik vrijwel elkweekend,vooral de kleine buitenlandse wedstrijden.

Sinds het eind van de zestiger jaren rijd ik veel G.P.'s. Dat resulteerde o.a. in een derde plaats in het wereldkampioenschap 125 cc in 1969. iedereen die in Assen start krijgt een herinneringstegel, ik ben de enige die er tweeëntwintig aan de muur heeft hangen."

Safe

Moto 73: Je carrière wordt niet bepaald gekenmerkt door valpartijen. Rijd je bewust op safe? Cees: „Ik heb in vijfentwintig jaar één noemenswaardig ongeluk gehad. Dat was op 1 september 1972 in Hilvarenbeek, waar ik tijdens de training verblind werd door de laagstaande zon. Terwijl Chas Mortimer voor mij voor de bocht terugschakelde, schakelde ik op omdat ik geen bocht zag. Ik ging volgas tussen de bomen door, een been- en bekkenbreuk waren het pijnlijke resultaat. Op 14 april van het volgend jaar ging ik voor het eerst weer werken en won 22 april de eerste wedstrijd van het seizoen in de stromende regen in Heeswijk. Als privérijder hoef ik me niet waar te maken. Racen is voor mij een hobby en ik neem geen risico's voor een plaats op het erepodium. Als je, zoals sommige jongens die vijf, zes jaar rijden, van de littekens aan elkaar hangt, dan hoef ik geen motorsport te bedrijven. Ik wil niet voor vier seconden winst na een race hoeven zeggen dat ik er God zij dank op ben blijven zitten. Vooral op buitenlandse circuits rijd ik niet op de top van mijn kunnen. Ik heb dan een lange rit achter de rug (Kees, mijn vriendin Els en ik rijden om beurten) en ben bang dat vermoeidheid in eventuele kritieke situaties mij parten kan spelen, met mogelijke fatale gevolgen. Toen ik dit jaar op de Nürburgring merkte dat ik niet goed rond kon komen, heb ik dan ook onmiddellijk de race gestaakt. Ik barstte van de hoofdpijn. Later bleek dat ik een dieselvergiftiging had opgelopen, doordat de oliedop van de vrachtauto niet goed afsloot. Ik kan me ook geen dagen of weken ziekenhuis permitteren, omdat dan de zaak dicht is en dus ook de inkomsten uitblijven. Blind fanatisme in een race kan tien keer goed gaan, de elfde keer kom je jezelf tegen. Als je een keer komt te liggen en je zit goed in de kreukels, kent niemand je meer, dan zeggen ze „Van Dongen, wie was dat ook alweer? O ja, dat was die vent die vroeger als een idioot op een motor in de rondte reed."

Afbeelding
Het „team AOW" Kees (54) en Cees (46) in de GP in Joegoslavië in 1976.

Geen risico's nemen betekent voor Cees van Dongen niet af en toe een stuntje uithalen. Een mooi voorbeeld daarvan is de G.P. 1976 in Joegoslavië. Cees en Kees hadden in de training uitgerekend dat de tankinhoud exact toereikend zou zijn voor de race. Voor alle zekerheid werd met behulp van ijzerdraad een literfles brandstof in de kuip vastgebonden. Cees lag op een vijfde plaats toen hij de Laatste ronde inging. Hij dacht net genoeg brandstof te hebben om de eindstreep te halen. Tijdens het afdalen van een heuvel sloeg de motor echter af: de kraan was achterin de tank gemonteerd en de laatste druppels zaten voorin. Cees draaide de tankdop eraf, zette zijn knieën tegen het stuur, maakte het ijzerdraad los, probeerde zoveel mogelijk de fles op de tankopening te richten en zwiepte vervolgens de lege fles het publiek in. Hij verspeelde er één plaats mee en finishte, doordrenkt met benzine, als zesde. Tot in 1971 werd Cees bijgestaan door zijn vader, die de zorg op zich nam voor de Kreidler. Door zijn leeftijd had hij geen zin meer om elk weekend van huis te zijn. Er zat voor Cees niets anders op dan maar alleen op pad te gaan. Toen hij het volgend seizoen in Monza de tent opzette, vroeg de man van een tent in de buurt of hij soms een handje kon helpen. „Als dat zou kunnen!" zei Cees en sindsdien zijn ze onafscheidelijk, Cees en Kees. Kees Brouwer was lang geen onbekende in de racerij, al in 1945 sleutelde hij voor Sparta. Met zijn zoon Ferry bezocht
hij de circuits totdat Fer in 1968 fabrieksmonteur bij Yamaha werd. Kees ging drie seizoenen voor Jan Kostwinder werken, tot hij Cees ontmoette. Kees vertelt: „Alle rijders moesten op Monza een medische keuring ondergaan. Omdat Cees lichamelijk niet helemaal in orde was, ging ik in zijn plaats. Niemand merkte het en Cees reed een geweldige race, hij ging als derde over de streep. Als helper is het sleutelen en het rijden met de vrachtwagen maar de helft van je werk. Daarnaast ben je psycholoog. Als het tegenzit moet je je rijder uit de put halen, je moet hem mentaal kunnen opvangen. Als er in de race iets met de fiets fout gaat, wordt er vaak op de monteurs gekankerd. Cees doet dat nooit omdat we samen aan de machines werken en als er iets gebeurt weet hij, dat we er alles aan gedaan hebben om het te voorkomen." Moto 73: Leeftijd is bij jou, Cees, blijkbaar geen criterium om te stoppen. Wat is dat dan wel? Cees: „Als ik om fysieke redenen niet meer kan meekomen. Zo gauw ik merk dat ik te oud wordt en mijn reactievermogen terugloopt, waardoor ik rijfouten ga maken, of dat ik moet forceren om een goede plaats te rijden, zet ik hem zonder meer aan de kant. Al is het midden in het seizoen. Op dat moment wordt racen een levensgevaarlijke zaak, zowel voor mij als voor een ander. Ik wil dan wel machines voor een ander gaan prepareren, ik blijf dan een beetje in de sfeer en kan mijn in vijfentwintig jaar opgedane kennis en ervaring dienstbaar maken. Misschien kan ik dan gaan sleutelen voor mijn één na oudste zoon Jos, die nu achttien jaar is. Hij gaat volgend seizoen met mijn oude Kreidler rijden bij dé junioren."

Sponsor gezocht

Moto 73: Wat zijn de verwachtingen voor jezelf, wat het volgend jaar betreft?
Cees: „Ik zou graag alle GP's willen rijden. Ik kom met uitstekend materiaal: een splinternieuwe Kreidler en een gerenoveerde Morbidelli. Reden dus om wat dat betreft goede verwachtingen te hebben. Probleem is echter de financiën. Racen is verschrikkelijk duur en het startgeld is maar een fractie van de kosten. Financiële problemen zijn ook van grote invloed op je prestaties: je gaat voorzichtiger rijden omdat je je geen schade kan veroorloven. Als ik echter geen goede sponsor vind, zou 1979 weieens het laatste seizoen voor mij kunnen zijn."
Nou heren sponsors, het is toch intriest een zo lange en glansrijke carrière om een dergelijke reden te moeten afsluiten. Daarom, om al die telefoontjes naar de redaktie te voorkomen: Cees' adres is Zaagmolenstraat 75 in Rotterdam.

Plaats reactie